Door Astrid Haerens
Beste lezer. Dit is geen fictief verhaal. Alle overeenkomsten met reëel levende wezens zijn dus niet toevallig. Het kan zijn dat u zich persoonlijk aangesproken zal voelen. Dat u zich ongemakkelijk zult voelen, dat bij momenten een schuldgevoel u zelfs zal bekruipen. Laat dit vooral toe. Denk erover na. Het is terecht.
Stel u voor. Er is een eiland, ergens voor de Afrikaanse kust. We zijn in het jaar 1598. Er bestaan nog geen frieten, geen alcoholstiften, geen jeans. De wereld draait een paar tellen trager en wij kennen elkaar nog heel lang niet.
Het is vrijdag, vroeg in de ochtend. De lucht is zalmkleurig, de eerste vogels maken hun schorre stembanden los met een zacht getsjilp. Het azuurblauwe water van de zee ligt roerloos stil. Het eiland beëindigt haar laatste droom en begint aan een nieuwe dag. lees meer
door Haus
het eenzaamste volk stond recht
en eiste een verklaring voor de winter
die keer op keer elke kleine man
en zijn klein verdriet blootstelde
aan de al te duidelijke bedoelingen
van het onthechtende sneeuwlicht
niets was genoeg
men smeekte om een verhaal
van warmte men schreeuwde
ieder voor zich
ook het eenvoudigste volk liep mee
het zong een eenvoudig lied
droeg geen jassen enkel huid
de kou die loutert tegemoet
alles was te veel
elkeen vermoedde warmte
in andermans ingewanden
men ademde zichtbaar
en neuriede ook
een derde vagere groep tenslotte
stond moeizaam recht en sleep
punten aan pennen
doopte ze in inkt
sprak noch ademde
maar rookte veel
De beste stuurlui staan aan wal. Daarom willen WIJ JOUW teksten lezen. Doorsturen naar karkas@villanella.be is de boodschap en misschien word jij de volgende gastschrijver.
door Haus
Het raam staat open. Een zachte wind waait in de kamer.
Wanneer dit raam open staat, dan komen ze binnen.
Je bent alleen in een groot huis en alle ramen staan open. De wind tocht door de kamers en gangen. Je hebt het koud en je besluit één voor één de ramen te sluiten. Je loopt de trappen op naar de tweede verdieping en gaat naar de zolderkamer. Daar sluit je de dakramen. Je sluit de zijramen. Je sluit het raam op de trapgang. Je weet niet of je binnensluit of buitensluit, maar met elk gesloten raam wordt het windstiller in het huis. Je gaat één verdieping naar beneden. Je sluit de grote ramen van de slaapkamers. De lange gordijnen hangen nu weerom roerloos tot op de grond. Je sluit het raam in de badkamer. Je gaat naar beneden. Je sluit de ramen van het salon en het raam in de keuken. Je sluit het raam in de inkomhal. Nu enkel nog het kleine raam van het toilet.
De deur van het toilet staat op een kier. Je doet de deur open. Op het toilet zit je moeder. Niet je moeder zoals je haar kende, maar je moeder voor je geboren was. Je moeder als heel jonge vrouw. Je bent bevangen door haar schoonheid: haar wangen blozen, haar lippen zijn gezwollen en rood als rijp fruit, haar ogen kijken verleidelijk, alsof ze heel stout is en tegelijkertijd heel lief. Ze lijkt je met haar blik te willen lokken. Ze knippert met haar lange wimpers. Zo kijkt ze je aan terwijl ze op de toiletpot zit. Je moeder draagt een lang zwart kleed en haar schouders zijn in donkerpaarse doeken gehuld. Ook op haar schoot liggen donkere doeken. Wanneer ze ziet dat je ernaar kijkt, glimlacht ze en uit de doeken haalt ze een baby tevoorschijn. Je herkent onmiddellijk je eigen dochter. Hoewel ze er bijna levenloos uitziet, pruttelt ze eventjes en kucht. Dan valt ze weer in slaap op de schoot van je moeder. Roerloos ligt daar je dochter als zuigeling. Meer een voorwerp dan een mens. Wanneer je je blik terug opricht naar het gezicht van je moeder is het veranderd. Het lijkt tweedimensioneler geworden. Haar ogen staan nog steeds recht in de jouwe, maar ze lijken in de breedte uitgerekt. Zwarte ogen die vochtig glanzen. Je huivert maar kan je er niet van losmaken. Ook haar mond is breder geworden. Haar lippen zijn dun en verschrompeld. Je buigt je traag naar haar gezicht toe. In haar mondhoeken zie je rimpels en barsten. De randen van haar neusvleugels zijn rot en al aan het ontbinden. Ook haar wangen zijn aan het vervallen. De huid valt van haar gezicht. Je wil je dochter redden maar wordt steeds dichter naar je moeder toe getrokken. Wanneer je uiteindelijk de kracht vindt je handen te bewegen en naar je dochter te reiken, slaat ze de doeken er weer omheen en zegt ze: “I’m afraid Shady’s cough is more than just a cough, my dear.”
De beste stuurlui staan aan wal. Daarom willen WIJ JOUW teksten lezen. Stuur ze door naar karkas@villanella.be en word onze volgende gastschrijver.
Door Arno Moens.
Er zit een kat voor het raam
loom voor zich uit te staren,
graatmager, lijkt te glimlachen
De zomer komt ons tegemoet
en we weten dat de rivier niet
lang meer zachtjes op ons in
zal praten, in vrije val vloeit
de rivier verder dan we zelf
zouden kunnen vloeien en
je vloeit niet meer met mij,
een hypocriet mens is
een pleonasme, mensen zijn
illegaal gestookte dranken,
tot alles in staat, had iemand
me gewaarschuwd, had ik twee
man waard geweest, maar dat
had niets uitgehaald, dan hadden
er gewoon twee mannen geweest
die voor jou waren gevallen
Laat de lente even achterwege
Over wegen leidt mijn reis
Overwegend veel gedronken
Onderweg naar de nachtwinkel,
als een schoorsteen door de
nacht, een stoomtrein
zonder remmen
Onderweg van de
nachtwinkel, als een tempelier
en ketter, meer met mijn gezicht
op de grond dan met mijn voeten
hoe langer het verlangen, hoe groter
de pijn; lang leve de pijn
Hallo herfst, lang geleden
Tegen elk blad dat valt
zeg ik ‘welkom terug’, ik
knuffel iedere kale boom
Maar de herfst heeft veel te
verbergen, stille herfsten
hebben diepe krochten
Ik ben niet bijzonder,
eerder gewoon zonder
en ik ga nog steeds
naar de nachtwinkel
De ijskoude vorst, de enige,
de echte, De Winter, (de dikke klootzak)
Gooit sneeuw in mijn ogen
en verwacht dan nog dat ik
ermee ga spelen
Ik speel niet met De Winter, wel
met vuur, vaak genoeg
Om het warm te krijgen,
sigaretten aan te steken,
te barbecueën in december,
pokeren op straat in januari,
twintig kilometer nachtwandelen
in februari, een fles jenever
als verwarming
De koude vreet zich een weg
door je ziel en voor je het weet,
staat de hitte weer voor je deur,
en komt ongevraagd binnenvallen,
als een dief in de dag
En de loom starende kat voor het
raam, moddervet, lijkt nog
steeds te glimlachen
Ik kijk er telkens naar, van en
naar de nachtwinkel, ik
glimlach altijd terug
Arno Moens (1992) probeert al nagenoeg heel zijn korte leven creatief bezig te zijn.
Schrijven valt dus onder deze categorie en hij poogt zijn gedachten uit te braken op een blad
en tentoon te stellen aan iedereen die het wil zien. (Hier komt geen blad aan te pas, maar de gedachte blijft.)
Buiten schrijven houdt hij zich bezig met acteren, muziek, comedy en leren leven.
Wil jij je tekst hier ook zien verschijnen? Wij zoeken gastschrijvers! Mail je tekst(en) naar karkas@villanella.be.
Chemin-ée d’étoiles
Door Maarten Van den Bussche

“gestopt met roken zie ik”
“oh al jarenlang”
“niets voor mij” zei ik
“maar wees maar niet bang”
“ik kan tegen een stootje
hard als steen en staal”
“je bent een eenzaam bootje
dat in de nacht verdwaalt”
“enkel als er wolken hangen”
“ik in het donker dronken ben”
“ken jij dat verlangen”
“ik vraag of jij het kent”
Ik wijs je de weg, al ben je zo verloren,
doodop aan de pech, kijk
er brandt nog licht daar boven.

(Klik op de afbeelding om een grotere versie te bekijken.)
Door Vincent Van Meenen
3
ik zie het aan hoe uw voeten
mij verdragen in uw aanwezigheid
en knikken voor mijn bekomst
van huis weg
hier sta ik uit uw genen geworpen
harder dan uw draad
met meer geduld bespannen
en harder dan elk draadloos verzet
over patronen en randen werp ik mij omhoog
pers ik mij in uw gestorte toren
Moeder Vader `
ik ben de eerste belager
uw meester in streng in streng
dit erfelijk verderf
verschrompeld tussen mijn benen
kent het zijn gelijke niet
waar uw afgestorven vlees traag verhardt
daar klappen mijn longen
voor u samen
4
Ik bedrijf mijn betrachtingen
ter ere van uw lijf en van de grond
die in mij uw rijpe lichaam zaaide
ik bewater later mijn bedorven doornen
ik bedrijf u in mijn nat
en van uw vruchtgebruik blijf ik
de enige en eindige graaf
ik lig stil en beween het gras
waaronder u straks vergaat
er is geen mond in mij die nu nog durft
geen woord dat in uw lichaam kloven slaat
zo lang eist uw weerbarstigheid een krul
een heilig haar dat als een grijze vlek
de start is en mij traag van binnenuit
en strijdend naar het leven staat
Door Maarten Van den Bussche
(Verliefd, Verdrietig, Vulgair en niet zo Vriendelijk)
Ik zou u willen vragen,
of ik u kussen mag
een der deze dagen,
liefst nog deze dag
u in mijn armen vangen,
u vangen in mijn web
in mijn breiwerk van verlangen,
Mevrouw, u maakt mij gek.
Het zijn slapeloze nachten,
eenzaam onder dons
hoelang moet ik nog wachten,
voor we spreken over ons
ik dacht de buit is binnen,
het is allemaal koek en ei
ik wil u beminnen,
alleen jij niet mij.
Mevrouw, u kunt mij krijgen,
tot aan mijn tenen toe
uw lichaam wil ik rijgen,
op de spits van mijn roe
ik kan het niet verzwijgen,
één keer is niet genoeg
ik wil u bestijgen,
van nu tot morgenvroeg
Mevrouw, u heeft schoon ogen, een schattig aangezicht
het is niet gelogen,
bijna was ik gezwicht
uw krullen uw klein teentje, het is
Gods werk op zijn best
er is slechts één probleempje,
uw bek stinkt als de pest.
Door Kevin Joos
Mijn letters waaien in de wind,
die ik al zaaiend gooide
op de grond die hen verbindt
en tot gedicht voltooide.
zo kiemden langzaam woorden
en begonnen zinnen te groeien
terwijl de natuur de ene stoorde
kon de andere openbloeien.
De sterkste zinnen overgebleven,
de zwaksten zijn vergetelheid
mijn gedichten zijn als ‘t echte leven
onderworpen aan het rad des tijds.
..Because in the dawn of my own imagination
I am the creator, gazing over my creation…
Kevin Joos (1990°) schrijft al van sinds hij zich kan herinneren. Voor zijn gedichten houdt hij van stricte regels en een strakke vorm. Shakespeare, Jotie t’Hooft en Francois Villon behoren tot zijn voornaamste voorbeelden. Hij is de eerste gastdichter die op KARKAS publiceert.
Door Astrid Haerens
Jij zegt
zo zo
en ik vertel
dat je stapt
zo zo
en zoekt naar een tel
- je tikt met je hart,
zo zo
wel wel -
om je jas aan te hangen,
je jurk,
je vel.
